Wetgeving gasflessenopslag

Vlarem II

In Vlarem II afdeling 5.16.5 wordt bepaald hoe verplaatsbare recipiënten (gasflessen) dienen te worden gestockeerd om te voldoen aan de milieuregelgeving.

Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen worden de samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen in de volgende 4 groepen gerangschikt:

  1. ontvlambare gassen, omvattende:
    1. gassen die allen ontvlambaar zijn (gevaarsrisico F), zoals vloeibaar gemaakte petroleumgassen, acetyleen en waterstof;
    2. ontvlambare giftige (gevaarsrisico's F en T) of ontvlambare schadelijke gassen (gevaarsrisico's F en Xn), zoals koolmonoxyde en ethyleenoxyde;
    3. ontvlambare zeer giftige gassen (gevaarsrisico's F en T+), zoals arsine en fosfine;
  2. giftige gassen, omvattende:
    1. gassen die alleen giftig (gevaarsrisico' T) of schadelijk (gevaarsrisico Xn) zijn, zoals ammoniak;
    2. gassen die alleen zeer giftig (gevaarsrisico T+) zijn, zoals boortrichloride en fosgeen;
  3. oxyderende gassen, omvattende;
    1. gassen die alleen oxyderend zijn (gevaarsrisico O), zoals lachgas en zuurstof;
    2. gassen die ofwel oxyderend als giftig zijn (gevaarsrisico's O en T), zoals chloor, fluor en stikstofdioxyde;
  4. de andere niet in bovenvermelde groepen bedoelde gassen zoals argon, helium, koolstofdioxide (koolzuuranhydride), krypton en stikstof.


Inrichting van een opslagplaats voor verplaatsbare recipiënten (Vlarem II 5.16.5.3)

  • Indien een de inrichting gassen worden gestockeerd met gevaarrisico's uit verschillende van bovenvermelde groepen dient de opslagplaats in verschillende stockeringszones te worden onderverdeeld waarbij in elke stockeringszone enkel gassen vanuit eenzelfde groep mogen worden gestockeerd. Tussen de verschillende stockeringszones dienen minimum afstanden te worden gerespecteerd (zie verder).
  • Indien volgens de afstandentabellen (bijlage 3) de minimum afstand nul (0) bedraagt dan mogen deze  soorten gassen toch in éénzelfde stockeringszone worden opgesteld.
  • Ook lege gasflessen dienen binnen hun respectieve stockeringszones te worden opgeslagen op een speciaal voorziene plaats (geen menging tussen volle en lege gasflessen)
  • De stockeringszones worden aangegeven  door jukken, wanden, kettingen of vaste afbakeningen op 1 m hoogte
  • Overtappingsoperaties zijn verboden in opslagplaatsen

Afstandsregels

Zowel voor open en gesloten gasflessen opslagplaatsen gelden afstandsregels tussen de verschillende bovenvermelde groepen (zie bijlage 3, afstanden zijn in meter). Als diverse gassen toch in éénzelfde inrichting dienen te worden gestockeerd kan dit voor problemen. Om de inrichting niet te omvangrijk te laten worden kan er gebruikt worden gemaakt van een veiligheidsscherm tussen de verschillende stockeringszones. Zo kunnen de afstandregels worden verkleind of zelfs genegeerd.

Een veiligheidsscherm is ofwel van metselwerk met een dikte van tenminste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van tenminste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een dikte die een equivalente brandweerstand heeft. Voor de opslagplaatsen in open lucht tot en met een waterinhoud van 10.000 liter.

Afstandentabel voor 'open opslagplaatsen'
Afstandentabel voor 'gesloten opslagplaatsen'

Bouw van een open opslagplaats voor verplaatsbare gasflessen

  • Vloer is weerstandbiedend en ondoordringbaar materiaal en biedt stabiliteit aan de recipiënten
  • Vloer mag niet lager liggen dan het belendende terreinen
  • Indien gassen uit groep 1: eventueel aanwezig dak moet vervaardigd zijn uit onbrandbare materialen en mag hoe dan ook slecht voor 20% bestaan uit doorschijnend en zelfdovend materiaal

Bouw van een gesloten opslagplaats voor verplaatsbare gasflessen

  • Vloer is weerstandbiedend en ondoordringbaar materiaal en biedt stabiliteit aan de recipiënten
  • Opslagplaats mag niet ingericht zijn in kelderverdiepingen en niet onder bewoonde lokalen en de vloer mag niet lager liggen dan het belendende terreinen
  • Indien gassen uit groep 1: eventueel aanwezig dak moet vervaardigd zijn uit onbrandbare materialen en mag hoe dan ook slecht voor 20% bestaan uit doorschijnend en zelfdovend materiaal
  • De lokalen die als gesloten opslagplaatsen dienen zijn volledig gebouwd uit onbrandbare materialen
  • De wanden van de lokalen die dienst doen als gesloten opslagplaats zijn van metselwerk met een dikte van tenminste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van tenminste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een dikte die een equivalente brandweerstand heeft. Voor de opslagplaatsen in open lucht tot en met een waterinhoud van 10.000 liter.
  • De deuren draaien naar buiten open
  • De vensters hebben vaste ramen met gewapend glas
  • Veiligheidsschermen, tussenschotten of muren rondom de stockeringszones reiken ofwel tot aan de zoldering of hebben ten minste een minimale hoogte van 3 m en overstijgen de gasrecipiënten met tenminste 1 meter.
  • Doelmatige verluchting op de buitenlucht

Raakpunt met ARAB art. 52

Voor de opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten is er ook een raakpunt met het ARAB, afdeling V: voorzorgen tegen brandgevaar, ontploffingen en de toevallige ontsnapping van schadelijke of ontvlambare gassen. Hieronder een aantal belangrijke bepalingen:

Zoals eerder vermeld is de werkgever verplicht, ongeacht andere wettelijke of reglementaire bepalingen ter zake (bvb. Vlarem) de nodige maatregelen te nemen inzake brandpreventie,... (ARAB Art. 52.1 Algemeenheden).

Volgens de classificatie (ARAB Art. 52.2) vallen ook brandbare samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste gassen, in een hoeveelheid die groter of gelijk is aan 300 liter (dit volume zijnde het waterinhoudsvermogen van de recipiënten waarin ze zijn opgeslagen) onder opslaglokalen van de eerste groep.

M.a.w. dienen gasflessen (vanaf een totale inhoudshoeveelheid van 300 liter) op dezelfde manier te worden gestockeerd als vloeibare P1/P2 producten zijnde minimum 60 minuten brandwerend met een brandwerende deur van 30 minuten brandweerstand (zie eerder 3.3.2 punt d.) wanneer deze voorziening tegen een gebouw komt te staan.

Verder is de aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in deze waarvan de bodem, aan alle zijden lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden (ARAB art. 52 6.6.2) en de verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn en de recipiënten die verondersteld worden leeg te zijn, moeten in open lucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dit gebruik bestemd lokaal, opgeslagen zijn (ARAB art. 52 6.6.3).

Elke opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is buiten de werklokalen ingericht (ARAB art. 52.8.8.8).

 

Terug naar de Homepage >